Infiniti Q50 2.2d vs. BMW 320d EDE

15 augustus 2014

De uitdaging aangaan

Met de nieuwe Q50 betreedt Infiniti een bijzonder lastig segment waar de ‘Duitse drie’ de dienst uitmaken. De Nederlandse importeur heeft zijn uiterste best gedaan om de dieselvariant van de Q50 in de 20 procent bijtellingcategorie te krijgen, maar dat is helaas niet gelukt. Daarom voerde het merk in Nederland een spectaculaire prijsverlaging door om toch een concurrerend alternatief voor auto’s als de Audi A4 en Mercedes-Benz C-Klasse aan te kunnen bieden. In deze dubbeltest daagt Infiniti de benchmark in z’n klasse uit: de BMW 3 Serie, die wel 20 procent bijtelling heeft. Is de Q50 een serieus alternatief?

Hoewel Infiniti al een aantal jaren officieel verkocht wordt in Nederland, blijf ik mensen uitleggen dat een het om een automerk gaat. De beschrijving “Wat Lexus is van Toyota, is Infiniti van Nissan” dekt nog het beste de lading en schept duidelijkheid over waar het Japanse merk zich wil positioneren: tussen de ‘premium’ merken. Waar Lexus soms probeert het comfort van een Mercedes-Benz te evenaren, daar ambieert Infiniti meer de sportiviteit van een BMW. Qua looks komt de nieuwe Q50 in elk geval een heel eind: het is een stoere verschijning. Vooral de neus intimideert met zijn gemene kijkers en scherpe lijnen, waarnaast zelfs de zelfverzekerde 3 Serie vrij braaf lijkt. Ongehinderd door uitstootnormen voor een lagere bijtelling kon Infiniti de Q50 op gave 18 inch lichtmetalen wielen zetten, een schril contrast met de 16 inch ‘stepwieltjes’ van de BMW. In de praktijk zie je echter dat ook op een bijtellingvriendelijke 3 Serie zoals deze later als accessoire nog mooier en groter schoeisel wordt gemonteerd bij de dealer.

De zakelijk zwarte lakkleur van de test-Dreier is courant, maar ook vrij saai. De in lichtblauw-grijs metallic uitgevoerde Infiniti geeft meer van z’n vloeiende flanklijnen prijs en komt in de felle zon beter tot z’n recht. Bij de achterste zijruiten zie je de Japanse interpretatie van BMW’s Hofmeisterknik, met een extra kronkel richting het achterportier. Dikkere chroomlijsten geven de Infiniti wat meer bling, maar de achterzijde blijft een tikkeltje anoniem en is niet zo krachtig vormgegeven als de voorzijde. Twee dikke ronde uitlaten suggereren meer dan de aanwezige 170 pk’s, het bescheiden enkele pijpje van de BMW past beter bij zijn 163 pk.

Overtuigend op alle fronten

De hier geteste BMW 320d stoot daar als Efficient Dynamics Edition (EDE) slechts 109 g/km CO2 uit, zelfs met automatische transmissie. Hierdoor mag de zakelijke rijder hem voor 20 (in plaats van 25) procent bijtellen. De aandrijflijn van de BMW overtuigt op alle fronten: qua verfijning, soepelheid, efficiëntie en prestaties overtreft ‘ie de Infiniti. De achttapsautomaat schakelt vloeiend en op de juiste momenten en houdt het toerental en verbruik laag. Tegelijkertijd reageert ‘ie alert wanneer je dieper het gaspedaal intrapt en dan is de BMW ronduit vlot.

Voor de Q50 mochten de Japanners in de motorenschappen van Mercedes-Benz shoppen, waar men de beresterke 220 CDI motor uitkoos. Helaas haalt deze motor het niet bij de verfijning van BMW’s 320d. Dat begint al bij de koude start, waarbij de Infiniti meer motorrumoer laat horen en meer resonanties laat voelen in je stoel en stuurwiel. De zeventrapsautomaat van Mercedes-Benz kent ook z’n nukken, hij is niet altijd even alert en schakelt soms met een licht hikje. Ook de schakelflippers achter het stuurwiel reageren bij lange na niet zo direct als die in de BMW. De Q50 is qua power overigens prima bedeeld, want met 170 pk en 400 Nm (van 1.600 tot 2.800 tpm) is de twinturbo CDI-motor sterk zat en vlot genoeg.

Bij diverse sprintjes blijft de 3 Serie hem voor, wat wordt bevestigd door de opgegeven 0-100 tijden van 8,1 en 8,5 seconden voor de BMW en Infiniti. Voor een eerlijk vergelijk van het verbruik reden we dezelfde route met beide auto’s achter elkaar aan en tankten tweemaal op dezelfde plek af. Het resultaat inclusief sprintjes en fotoshoot: 1 op 13,8 voor de Q50 2.2d en 1 op 16,8 voor de 320d EDE. Buiten dit traject reden beide testauto’s natuurlijk zuiniger, maar deze cijfers illustreren het verschil in efficiëntie. Geen wonder, de Q50 2.2d Sport automaat weegt een lieve 1.764 kg, terwijl de 320d EDE automaat slechts 1.405 kg weegt. Dat plaatst de verschillen in verbruik en prestaties natuurlijk wel in een ander perspectief.

Iets speciaals

Laten we er niet aan voorbijgaan dat de Q50 een maatje groter is dan de 3 Serie, want de Infiniti is bijna 18 centimeter langer. Hij schurkt daarmee tegen het formaat van een BMW 5 Serie aan. Dit zie je terug in een iets grotere bagageruimte (500 liter om 480 liter) en meer beenruimte achterin. De 3 Serie biedt op zijn beurt weer meer hoofdruimte achterin, maar geen van beide auto’s zijn ideaal voor bovengemiddeld lange achterpassagiers.

Voorin zit je in de Infiniti het fijnst, op prettig ondersteunende sportstoelen met instelbare wangen en verlengbare zittingen. In de test-3 Serie zitten de standaardstoelen waarvan de zittingen vrij vlak zijn en het nepleder niet overtuigt. Wil je dat op het niveau van de Q50 brengen, dan moet je sportstoelen bestellen met elektrische verstelling en duurdere lederen bekleding. Het 3 Serie-dashboard is verder bekend, met een breed multimediascherm dat zich via de centrale iDrive-knoppen op de middentunnel laat bedienen. De afwerking en het materiaalgebruik zijn van onbesproken kwaliteit, daar doen enkel de saaie zwartgrijze kleurstelling en inferieure stoelbekleding afbreuk aan.

Het interieur van de Q50 oogt luxueus en hightech, met een centraal geplaatst touchscreen voor de navigatie en een glanzend touchscreen daaronder. Hierop kun je diverse instellingen, menu’s en apps tevoorschijn halen en bedienen. Ook via een centrale draaiknop en via spraak- en stuurwielbediening zijn diverse functies op te roepen en in te schakelen, van muziek tot navigatie en telefonie. In het begin is dat even wennen, maar uiteindelijk zijn al die keuzemogelijkheden reuze handig want er is voor iedere gebruiker wel een ideale manier van bedienen te vinden. De met leder en witte stiksels beklede middentunnel, de geperforeerd lederen zitvlakken, geborsteld aluminium sierlijsten en chromen stripjes vervolmaken het gevoel dat de Q50 iets speciaals is.

Meer stuurplezier

Dat mag ook gezegd worden van het rijden en dan met name de besturing. Deze Q50 heeft namelijk een heuse primeur aan boord: drive-by-wire stuurtechnologie. Dit houdt in dat er geen mechanische verbinding is tussen het stuurwiel en de voorwielen. De beoogde gewichtsbesparing wordt helaas tenietgedaan door regelgeving, die de aanwezigheid van een mechanische verbinding in geval van storing toch vereist. Het creëert echter wel eindeloze mogelijkheden voor de afstelling en aanpassing van het stuurgevoel- en de stuurreacties. Zo ervaar je een enorm verschil tussen de rijstanden Comfort en Sport: in de laatste stand reageert ‘ie directer en voel je meer tegendruk. Er is merkbaar minder stuuruitslag nodig voor dezelfde bochten. Een ander voordeel is dat je hobbels en richels niet meer voelt in je stuurwiel en de elektronica eventueel noodzakelijke stuurcorrecties uitvoert. Het is even wennen, maar als je langer met de Q50 rijdt dan zul je z’n messcherpe stuurgedrag zeker gaan waarderen.

De BMW 3 Serie wordt altijd geprezen om z’n stuurdynamiek en ook voor deze 3 Serie gaat dat (deels) op. Het insturen gaat voldoende zwaar en direct en mooi gelijkmatig, maar zo scherp en opzwepend als de Infiniti is ‘ie niet. Zelfs in de Comfort-stand stuurt de Q50 al dynamischer dan de BMW, die op z’n 16 inch banden niet erg sportief uit de verf komt. De onderstelbalans van beide auto’s is redelijk gelijkwaardig, ze hellen beide weinig over en zijn op korte oneffenheden vrij hard geveerd. Ze bieden desondanks voldoende comfort op lange afstanden, bovendien blijft het aangenaam stil aan boord.

Vriendelijker geprijsd

Kijken we tenslotte naar de prijzen van beide auto’s, dan zien we dat de testauto’s aardig aan elkaar gewaagd zijn. De Q50 2.2d automaat mag in deze Sport-uitvoering en enkele losse opties weg voor 51.720 euro, terwijl de afgebeelde 320d EDE voor 53.686 euro op kenteken is gezet. Op een head-up display na is de Infiniti completer uitgerust dan de BMW, met mooiere sportstoelen, luxere bekleding, grotere wielen, een uitgebreider veiligheidspakket en instelbare besturing. Voor een eerlijk vergelijk van de catalogusprijzen, leasebedragen en bijtelling ga ik uit van een Q50 Business Premium die voor 39.900 in de prijslijst staat.

Mag je een 320d EDE automaat leasen dan staat de Corporate Lease Edition voor 42.287 euro in de prijslijst, die met het High Executive pakket van 4.500 euro op een vergelijkbaar uitrustingsniveau kan worden gebracht met onder meer lederen bekleding en navigatiesysteem. De BMW biedt dan nog xenon als extra, maar de Q50 staat op een inchmaat groter (17) lichtmetaal. De leaseprijzen van beide auto’s in de genoemde versies komen exact overeen (Leaseplan: vijfjarig contract en 35.000 km/jr) met 851 euro per maand. De bijtelling van de BMW komt uit op 328 euro per maand, terwijl de Infiniti 349 euro per maand zou gaan kosten, bij een belastingschaal van 42 procent. Het is in elk geval duidelijk dat de Q50 vriendelijker geprijsd is en meer luxe en ruimte voor z’n geld biedt, maar daarmee kan hij het bijtellingvoordeel van de 3 Serie niet helemaal compenseren.

Serieus alternatief

In dit vergelijk daagde de nieuwe Infiniti Q50 de benchmark in z’n klasse uit en die kreeg het moeilijker dan vooraf gedacht. De aandrijflijn van BMW is nog altijd superieur en toonaangevend, hij presteert beter en efficiënter dan de Mercedes-motor van de Infiniti. Op het vlak van stuurplezier verrast de Q50 met z’n instelbare dynamiek en kan ‘ie prima wedijveren met de 3 Serie. Bij het ruime en luxueuze interieur met z’n hightech uitstraling en bediening steekt de BMW een beetje schraal af. Rationeel gezien blijft de BMW echter de betere keuze met de beste prestaties, een lager gewicht en verbruik en minder bijtelling. De Q50 is ondanks dat een serieus alternatief dat zeker een uitgebreide proefrit waard is.

Auteur: David Joost Kamermans

Fotograaf: Martijn den Breejen